Home       E-mail Dutch     English

Uit het proefschrift

7.1.0 De drie werelden.

Voor alle drie de werelden geldt:

P1. De werkelijkheid van alle drie de werelden is samengesteld uit een groot, in de tijd misschien oneindig, aantal entiteiten, met eigenschappen en verhoudingen en structuren; processen en “states” worden als entiteiten gerekend.

U1. Ter voorkoming van misverstanden: niet alleen (stabiele en duurzame) “dingen” bestaan echt maar ook alle processen en situaties in en rond “dingen”. En dat geldt ook voor ervaringen of concepten in W2 en W3; duurzaamheid en stabiliteit worden niet als de lakmoesproef voor realiteit beschouwd.

P2. Zeker twee en mogelijk alle drie werelden bevatten zowel “natuurlijke” (of “non-man-made”) als “culturele” (of “man-made”) entiteiten.

P3. Alle werelden kunnen worden onderverdeeld volgens twee indelingen: enerzijds een indeling waarin entiteiten zijn gesorteerd naar hun eventuele gerelateerdheid aan entiteiten in andere werelden en anderzijds een indeling w aarin hun leefbaarheid centraal staat en daarmee hun mogelijkheid om als leef-wereld voor levende wezens te fungeren.

N3. Elke wereld wordt aangeduid met W; dus we kennen W1, W2 en W3. Elke leefwereld wordt aangeduid met H, van habitat. Dus we kennen H1, H2 en H3. Alle entiteiten in elke H maken ook deel uit van de corresponderende W; andersom geldt dit zeker niet voor twee werelden niet (namelijk voor W1 en W2) en mogelijk geldt dat voor geen van de drie werelden.

U3. We kennen W1 door ons leven in H1; we kennen W2 door ons leven in H2 en we kennen W3 door ons leven in H3.



P4. Tal van entiteiten in alle drie de werelden kunnen in verband gebracht worden, of staan in verband met entiteiten in hun eigen wereld, alsook (zeker in de context van leef-werelden) met entiteiten in andere werelden.

N4. Het verband tussen de entiteiten kan varieren van 0 (in het geheel geen verband) tot en met 1 (een maximaal verband zoals afhankelijkheid, implicatie etc.). Deze variatie wordt weergegeven in een Connectie-co?ffici?nt C. De C tussen entiteiten varieert dus van 0 tot en met 1.

U4. Al vanaf de beginjaren van de filosofie is tussen de drie werelden een harmonie of eenheid of isomorfie verondersteld en/of nagestreefd. Deze harmonie had en heeft mede een utopisch en normatief aspect; bijvoorbeeld in (delen van) de geestelijke gezondheidszorg en zeker in de wetenschap werd en wordt de maximale waarde 1 van C nagestreefd en als doel gezien.

P5. Alle werelden bevatten zowel solo- als bi- als tri-entiteiten: entiteiten zonder, of met pendante entiteiten in één, of met pendante entiteiten in twee andere werelden. Duidelijke voorbeelden van pendante entiteiten met een hoge C zijn “waarneming” en “waargenomene”, of “voorwerp” en “soortnaam/concept”.

U5. Een entiteit uit een wereld kan verschillende pendante entiteiten in een andere wereld hebben en kan dus ook verschillende pendante entiteiten in verschillende andere werelden hebben. Zo heeft het concept “stoel” in W3 een groot aantal pendante entiteiten in W1 en W2, maar de meeste van deze entiteiten hebben ook “zetel” of “zitmeubel” als pendante entiteiten in W3.

P6. Alle werelden zijn (zie P3) te verdelen in sub-werelden naar de aard van hun veronderstelde pendante entiteiten.

N6. W2.1 is dan de verzameling van W2-entiteiten die op W1-entiteiten betrekking hebben (waarnemingen, hallucinaties, herinneringen etc.). W3.2.1 is dan de verzameling van W3-entiteiten die betrekking hebben op W2-entiteiten die betrekking hebben op W1-entiteiten (de concepten “waarneming”, “hallucinaties”, “herinnering”).



N7. W2.2.3 is dan de verzameling van W2-entiteiten die betrekking hebben op het geheel van W2.3. W3(W2, W1) is dan de verzameling van W3-entiteiten die betrekking hebben op de relaties tussen W2- en W1-entiteiten. Enzovoorts. Dit is ook altijd in termen van individuele entiteiten te noteren; zie 7.1.1.1. en verder.

P7. Alle werelden zijn vergelijkbaar qua “dimensionaliteit”: “ruimte” (diepte, oppervlakte, breedte, afstand en nabijheid) en tijd zijn van belang voor alle drie de (leef-)werelden en hun entiteiten. Ook over W2 en W3 valt in termen van oppervlakte en diepte te denken en andere ruimtelijke termen; zeker bij H2 en H3.

U7. Pluralisme in de filosofie kan hetzij een aanduiding zijn van de werkelijkheid van diverse werelden, hetzij een aanduiding zijn van mogelijke verschillende versies van dezelfde wereld. In dit laatste geval is pluralisme een kwestie van C : er zijn alternatieve versies van (delen van) een wereld met een gelijke C ten opzichte van pendante delen van een andere wereld mogelijk. Maar misschien moet pluralisme primair vanuit een H- in plaats van vanuit een W-perspectief worden beschouwd, omdat het idee van parallelle werelden (en die zijn natuurlijk in W1 en in W2 en in W3 mogelijk) in laatste instantie gezien moet worden als een kwestie is van parallelle, verschillende leefwerelden in dezelfde werelden.

P8. Alle werelden zijn aan verandering onderhevig en hebben dus een verleden, heden en toekomst.

U8. De soorten wezenlijke veranderingen in de drie werelden en hun patronen zijn mogelijk meestal als een vorm van evolutie te typeren (analoog aan de evolutie in de biologie) omdat entiteiten kunnen “komen en gaan”, met name afhankelijk van hun “funktie” of “waarde” in een leefwereld-ecologie.

P9. Elke wereld heeft een mate van negentropie of orde; geen van de drie is een volstrekte chaos en geen is een volledig gestructureerd geheel. Echter, de mate van negentropie alsmede de aard van de structuren verschilt per wereld; we veronderstellen geen overkoepelende en alomvattende “3-werelden-structuur”, juist omdat er drie verschillende werelden zijn.



U9. Dit impliceert dat het een foute start kan zijn om vanuit de structuur van de ene wereld te zoeken naar, of te concluderen tot, de structuur van een andere. Dit betekent niet dat geen enkele structuur uit de ene wereld isomorf kan zijn aan enige structuur uit een andere, maar dergelijke isomorfieën zijn hetzij contingent, hetzij als zodanig door mensen in leef-werelden gemaakt.

P10. Elke wereld kent entiteiten die een gevolg zijn van andere entiteiten uit de eigen wereld. Dit maakt de werelden tot min of meer autonome: de dynamiek in elke wereld is geen resultante van alleen de dynamiek in een van de andere werelden.

P11. Er zijn goede redenen om aan te nemen dat de drie werelden in numerieke volgorde zijn ontstaan: eerst W1 en met de ontwikkeling van levende wezens W2 en met de verdere ontwikkeling van levende wezens ook W3.
Tenzij God natuurlijk eerst in W2 en W3 leefde en toen besloot W1 te scheppen....
Er zijn eveneens goede redenen om aan te nemen dat elk menselijk individu eerst tot stand komt in een H1, dan op een zekere prenatale leeftijd intreedt in een H2 en weer later zal intreden in een H3.
In de ontwikkelingspsychologie is deze “intrede” object van uitvoerig onderzoek geweest zoals bij Piaget.


P12. Elke wereld is een familie van sub-werelden in de zin van Wittgensteins “familie-begrip”, dus geen van de in P6 genoemde sub-werelden is representatief voor de betreffende wereld als geheel.


7.1.1 Wereld 1.

P1. W1 omvat alle (combinaties van) entiteiten die uit “materie/energie” bestaan en bestonden en dus alle entiteiten die dit als substantie hebben of hebben gehad. De werkelijkheid van W1 is samengesteld uit dingen, gebeurtenissen (in/van dingen), veranderingen/processen in/van dingen, strukturen, krachten etc.

U1. Kants “Ding an sich” behoort bij uitstek tot W1. Kants kennistheoretische voorzichtigheid laat zich als volgt vertalen: de C tussen W2.1-entiteiten en W1-entiteiten is in laatste instantie onbekend.

P2. W1 is in te delen in enerzijds een aantal (soort-specifieke, collectieve en individuele) leefwerelden of Habitats H1 en anderzijds dat deel van W1 dat nog niet tot enige leefwereld behoort of behoord heeft. Een (waarschijnlijk overgroot) deel van W1 zal nooit deel uitmaken van enige leefwereld, omdat het grootste deel van W1 (de buitenaardse cosmos) onbewoonbaar lijkt voor enige levensvorm. Daarom geldt dat elke H1-entiteit een W1-entiteit is maar niet elke W1-entiteit een H1-entiteit is en zelfs niet altijd een potenti?le H1-entiteit.

N2. H1(x) is dan de aanduiding van leefwereld 1 van x, waarbij x een organisme en/of groep en/of individu kan zijn. Dat Jan ergens anders woont dan Piet is dus te noteren als dat een specifieke W1-entiteit wel deel uitmaakt van H1(Jan) maar niet van H1(Piet).

P3. W1 en H1 omvat enkelvoudige en samengestelde entiteiten, processen, states etc. Elke entiteit in W1 is dat wat in de filosofie wordt aangeduid als een individuele entiteit of “particular” (in tegenstelling tot “universal”).

P4. W1 en H1 omvatten “natuur” en “cultuur”, oftwel non-man-made en man-made entiteiten.

P5. Omdat W1 groepen entiteiten omvat die betrekking hebben op de andere werelden is W1 nader in te delen in W1.1, W1.2, W1.3 en ook W1.0 (het -verreweg grootste- deel van W1 dat geen representaties bevat van entiteiten uit enige wereld). Analoog daaraan is H1 in te delen in H1.1, H1.2, H1.3 en ook H1.0.

U5. Het is eigenlijk onmiskenbaar dat de subwerelden W1.1, W1.2 en W1.3 grotendeels (dat geldt voor W1.1 met fossielen als uitzondering en voor W1.2 met produkten van dieren-emoties of instincten als uitzondering) of geheel (dat geldt waarschijnlijk wel voor W1.3) man-made zijn. Zij vallen dus samen met de historisch gerealiseerde ruimte van alle menselijke H1.1, H1.2 en H1.3. W1.0 omvat die entiteiten die nooit tot enige H kunnen behoren en valt dus niet samen met H1.0; H1.0 valt wel binnen W1.0.

P6. De term “wereld” wordt gehanteerd om aan te duiden dat het om een verzameling van entiteiten gaat die onderling in een bepaalde mate gerelateerd, geordend en gestructureerd zijn; de “ natuurwetten” (in W3) worden geacht de regels van deze orde in W1 weer te geven.


7.1.1.1 Inventarisatie van W1



W1: alle entiteiten die uit materie/energie bestaan alsmede alle lingu?stische/semiotische entiteiten; de karakteristieke variabele hiervoor is e1

W1.1: alle W1-entititeiten die refereren aan andere W1-entiteiten en die dus die entiteiten als analoge entiteit hebben; de karakteristieke variabele hiervoor is e1.1
Alle afbeeldingen van dingen: foto’s, realistische schilder- en beeldhouwkunst, globes, maquette’s etc. en ook alle talige of semiotische objecten die W1-entiteiten aanduiden.

W1.2: alle W1-entiteiten die W2-entiteiten als pendante entiteit hebben; de karakteristieke variabele hiervoor is e1.2.
Alle materiële (inclusief linguïstische) weergaven van gevoelens, ervaringen etc., zoals romans, beeldhouwwerken en dergelijke.

W1.3: alle W1-entiteiten die W3-entiteiten als pendante entiteit hebben; de karakteristieke variabele hiervoor is e1.3 .
Onder andere alle wetenschappelijke boeken, schemata etc.

Het is duidelijk dat W1 nog oneindig veel meer omvat dan W1.1, W1.2 en W1.3 samen. We benoemen dat restant van W1 als W1.0 en dit omvat alle W1-entiteiten die niets representeren maar gewoon “zijn” en deze zijn als e1.0 aan te duiden. W1.1 en W1.2 en W1.3 omvatten dat wat we gewoonlijk als “cultuurgoederen” aanduiden; de rest behoort tot W1.0.
Het is duidelijk dat voor de vele mogelijke beweringen die de vorm hebben die in N2 bij 7.1.1 staat vermeld keurige notaties mogelijk zijn.


7.1.2 Wereld 2

P1. W2 omvat alle entiteiten die tot de ervarings- of belevings- of binnenwereld behoren en dus alle psychische of mentale entiteiten of processen of “states”. De werkelijkheid van W2 is samengesteld uit mentale gebeurtenissen, veranderingen, processen en strukturen.



P2. W2 is in te delen in enerzijds een aantal (soort-specifieke, collectieve en individuele) leefwerelden H2 en mogelijk anderzijds ook nog een deel van W2 dat (nog) niet tot enige leefwereld behoort of behoord heeft. Dit betekent onder meer dat de H2 van de ene soort/groep/mens niet hetzelfde deel van W2 omvat als de H2 van een andere.

U2. Zo omvatten de H2-en van dieren andere delen van W2 dan die van mensen voorzover hun zintuigelijke mogelijkheden andere zijn dan de menselijke. Maar ook voor mensen geldt dat per cultuur en per persoon andere ervaringen en belevingen bestaan zodat de H2 van de één andere entiteiten bevat dan die van een ander.

N2. H2(x) is dan de aanduiding van leefwereld 2 van x, waarbij x een organisme en/of groep en/of individu kan zijn. Dat Jan iets anders voelt dan Piet, is dan dus te noteren als dat een specifieke W2-entiteit wel deel uitmaakt van H2(Jan) maar niet van H2(Piet). Als een hond iets hoort dat zijn baas niet hoort, dan is er dus een W2.1-entiteit die wel deel uitmaakt van H2(hond) maar niet van H2(baas).

P3. W2 en H2 omvat enkelvoudige en samengestelde entiteiten, processen, states etc. Het zijn alle particulars in de zin zoals bij P3 in 7.1.1 werd aangeduid.

U3. De meest persoonlijke ervaringen of private particulars zijn bepaalde W2.2-entiteiten, bijvoorbeeld de ervaring onmiskenbaar alleen mijzelf te zijn en waarschijnlijk ook de in hoofdstuk 3.3 genoemde “ANNERING”. Dit zijn dus persoonlijke leefwereld-specifieke “inneringen” en identiteitservaringen.

P4. Omdat W2 (grote) groepen entiteiten omvat die betrekking hebben op entiteiten uit de andere werelden, is W2 nader in te delen in W2.1, W2.2, W2.3 en W2.0. Analoog daaraan is een H2 nader in te delen in H2.1, H2.2, H2.3 en H2.0.

U4.1 Het is bij de gratie van H2.1 dat wij de realiteit van H1 en W1 aannemen en dit betreft onder andere waarneming. Het is bij de gratie van H2.3 dat wij de realiteit van H3 en W3 aannemen en dit betreft onder andere nadenken. H2 is direct toegankelijk; H1en H3 zijn alleen bemiddeld toegankelijk.

U4.2 Het kennen van W1 en W3 is afhankelijk van bi-entiteiten; het is afhankelijk van pendante entiteiten in W2.1 en in W2.3: de dingen en de concepten zijn pas kenbaar als ze “waargenomen en ervaren” of “gedacht” zijn.
Kennis van solo-entiteiten in W1 en W3 is zo beschouwd dus onmogelijk.


U4.3 Als W2 alleen uit W2.1 en W2.2 en W2.3 zou bestaan, dan zijn alle mentale entiteiten intentioneel en dan is W2 daarmee uitgeput. Het is echter denkbaar dat er ook een W2.0 bestaat: mentale entiteiten waar geen analoge of pendante entiteit bij behoort.

P5. H2.1, H2.2 en H2.3 omvatten zowel representerende entiteiten (bijvoorbeeld waarnemingen) als waarderende entiteiten (bijvoorbeeld smaak-ervaringen of subjectieve oordelen).

P6. W2 omvat “natuur” en “cultuur”, oftwel non-man-made en man-made entiteiten.

U6. Ook tal van dieren leven in W2 en hebben daarin dus een H2. Misschien bestaan alle “parallelle werelden” uitsluitend in een H2 en geldt dat ook voor dieren. Waar zij andere zintuigen hebben dan wij, zullen zij zeker in een andere H2.1 leven dan wij; zie ook U2.

P7. De term “wereld” wordt gehanteerd om aan te duiden dat het om een verzameling van entiteiten gaat die in zekere mate gerelateerd, geordend en gestructureerd zijn; de “psychologische wetten” (in W3) geven de regels van de orde in W2 weer.

P8. De mate van orde of negentropie in W2 is waarschijnlijk lager dan die in W1.

P9. Er is een H-subjectiviteit te onderscheiden van een W2-subjectiviteit.

U9. Eigenlijk zijn alleen W2.1-entiteiten en W2.3-entiteiten als “H-subjectief” te typeren. De W2-subjectiviteit, waartoe de W2.0 en W2.2-entiteiten gerekend kunnen worden, is eigenlijk even “objectief” in de zin van “gegeven” en “aanwezig” als W3- en W1-entiteiten dat zijn. Voor genoemde H-subjectieve entiteiten geldt dat hun betekenis afhankelijk is van een relatie tot een entiteit in een andere wereld; in H-subjectiviteit is de bij objectiviteit en subjectiviteit gebruikelijke vorm van “vergissen” mogelijk.


7.1.2.1 Inventarisatie van Wereld 2.

W2: alle psychische entiteiten; karakteristieke variabele e2 .

W2.1: alle W2-entiteiten die W1-entiteiten als pendante entiteiten hebben; karakteristieke variabele e2.1


M.n. gewaarwordingen, ervaringen en herinneringen etc. van dingen en gebeurtenissen in W1.

W2.2: alle W2-entiteiten die W2-entiteiten als analogon hebben; karakteristieke variabele e2.2 .
M.n. gewaarwordingen, ervaringen en belevingen van gewaarwordingen, ervaringen en gevoelens etc. alsmede alle gedachten over en herinneringen van gedachten en gevoelens etc.

W2.3: alle W2-entiteiten die W3-entiteiten als pendante entiteit hebben; karakteristieke variabele e2.3
M.n. gewaarwordingen, ervaringen en gevoelens van en bij ideeën, concepten, overtuigingen etc.; de “no?tische objecten” van Brentano e.a. lijken hiertoe gerekend te kunnen worden.

Het is naar analogie met W1 denkbaar dat W2 meer omvat dan W2.1, W2.2 en W2.3 samen. We lokaliseren deze entiteiten dan dus in W2.0. Als deze W2.0 ook entiteiten (e2.0 ) bevat, dan zijn niet alle mentale entiteiten intentioneel.

Er is een verdere differentiatie mogelijk:

W2.1.0: Alle gewaarwordingen van W1.0-entiteiten
W2.1.1: Alle gewaarwordingen van W1.1-entiteiten
W2.1.2: Alle gewaarwordingen van W1.2-entiteiten
W2.1.3: Alle gewaarwordingen van W1.3-entiteiten
de laatste drie dus allemaal gewaarwordingen van cultuurgoederen.

W2.2.0: Alle gewaarwordingen van W2.0-entiteiten
W2.2.1: Alle gewaarwordingen van W2.1-entiteiten
W2.2.2: Alle gewaarwordingen van W2.2-entiteiten
W2.2.3: Alle gewaarwordingen van W2.3-entiteiten
te zamen misschien wat we gewoonlijk als “bewustzijn” aanduiden.

W2.3.0: Alle gewaarwordingen van W3.0-entiteiten
W2.3.1: Alle gewaarwordingen van W3.1-entiteiten
W2.3.2: Alle gewaarwordingen van W3.2-entiteiten


W2.3.3: Alle gewaarwordingen van W3.3-entiteiten


7.1.3 Wereld 3.

P1. W3 omvat alle abstracte entiteiten; de werkelijkheid van W3 is samengesteld uit concepten, conceptuele structuren en hun dynamieken.

U1.1. Zoals er “Dingen op zichzelf” zijn in W1, zo zouden er ook “Ideeën op zichzelf” in W3 kunnen zijn en in een analoge redenering kan gesteld worden dat we weliswaar weten dat deze entiteiten bestaan, maar dat we ook weten dat onze kennis beperkt is zodat we geen directe toegang hebben tot deze W3-entiteiten, net zo min als we dat tot W1-entiteiten hebben.

U1.2. De “abstracta” zijn de concreta in W3; de “universals” zijn particulars in W3.

P2. W3 is nader te verdelen in een aantal (soort-specifieke, collectieve en individuele) leefwerelden H3 en mogelijk ook dat deel van W3, dat nog niet nog tot een leefwereld behoort of behoord heeft.

U2. Er zijn weinig argumenten te bedenken voor of tegen het aannemen of uitsluiten van een deel van W3 dat nooit tot de menselijke H3 behoren zal, al blijft het een fascinerend filosofisch vraagstuk dat al vóór Plato was geformuleerd. Omdat onduidelijk is of W3 alleen voor levende wezens bestaat, is ook onduidelijk of W3 entiteiten omvat die nooit tot enige leefwereld behoren of behoren kunnen (ondenkbare ideeën?).

N2. H3(x) is dan de aanduiding van leefwereld 3 van x, waarbij x een organisme en/of groep en/of individu kan zijn. Dat Jan iets anders gelooft dan Piet is dus t e noteren als dat een specifieke W3-entiteit wel deel uitmaakt van H3(Jan) maar niet van H3(Piet).

P3. Omdat delen van W3 betrekking hebben op andere werelden is W3 nader te verdelen in W3.1, W3.2, W3.3 en W3.0; een H3 is analoog daaraan te verdelen in H3.1, H3.2, H3.3.



U3. Het is onwaarschijnlijk dat een H3 ook een H3.0 omvat. Het is denkbaar dat W3.0 bestaat en entiteiten bevat: “pure” abstracte entiteiten. Dit vergt verdere studie: zijn hier getallen toe te rekenen? Bijvoorbeeld priemgetallen? Zijn hier wiskundige grootheden toe te rekenen? Bijvoorbeeld “verzameling”?

P4. W3 en H3 bevat enkelvoudige en samengestelde entiteiten, processen, states etc.

P5. H3.1, H3.2 en H3.3 omvat zowel representerende entiteiten (onder andere wetenschappelijke) als waarderende entiteiten (onder andere ethische).

P6. W3 omvat “natuur” en “cultuur”, oftwel non-man-made en man-made entiteiten.

U 6. Plato’s Ideeën waren afkomstig van de goden en waren eeuwig. Dergelijke W3-entiteiten zouden natuurlijk zeker kunnen bestaan, maar ze zullen zeker niet de enige zijn. Dergelijke eeuwige en “god-made” entiteiten zouden ook niet kunnen bestaan, zonder dat daarmee W3 leeg wordt.

P7. Wij spreken van een “wereld” om aan te duiden dat het om een geordende verzameling entiteiten gaat. De logica en de wiskunde zijn beide terreinen in W3 waarin die orde haar sterkste structuur heeft.


7.1.3.1 Inventarisatie van Wereld 3.

W3: alle concepten en ideeën; karakteristieke variabele e3 .

W3.1: alle W3-entiteiten die W1-entiteiten als pendante entiteiten hebben; karakteristieke variabele e3.1 .
O.a. alle natuurwetenschappelijke theorieën en concepten zijn hiertoe te rekenen.

W3.2: alle W3-entiteiten die W2-entiteiten als pendante entiteiten hebben; karakteristieke variabele e3.2 .
M.n. alle psychologische theorieën en concepten behoren hiertoe.

W3.3: alle W3-entiteiten die W3-entiteiten als analogon hebben; karakteristieke variabele e3.3


O.a. filosofische maar ook sociaal-wetenschappelijke theorieën en concepten zijn hiertoe te rekenen.

Met de voortgang van de wetenschap raken W3.1, W3.2 en W3.3 meer “gevuld”. Anders geformuleerd: steeds grotere delen van W3.1, W3.2 en W3.3 worden hiermee binnen H3.1, H3.2 en H3.3 gehaald.

Het is denkbaar dat W3 meer omvat dan W3.1, W3.2 en W3.3 samen. We lokaliseren deze overige entiteiten in W3.0. Deze W3.0 bevat dan ook entiteiten (e3.0); zuivere abstracta dus.

Er is, evenals bij W2, een verdere differentiatie mogelijk:

W3.1.0: Alle ideeën over W1.0-entiteiten
W3.1.1: Alle ideeën over W1.1-entiteiten
W3.1.2: Alle ideeën over W1.2-entiteiten
W3.1.3: Alle ideeën over W1.3-entiteiten

W3.2.0: Alle ideeën over W2.0-entiteiten
W3.2.1: Alle ideeën over W2.1-entiteiten
W3.2.2: Alle ideeën over W2.2-entiteiten
W3.2.3: Alle ideeën over W2.3-entiteiten

W3.3.0: Alle ideeën over W3.0-entiteiten
W3.3.1: Alle ideeën over W3.1-entiteiten
W3.3.2: Alle ideeën over W3.2-entiteiten
W3.3.3: Alle ideeën over W3.3-entiteiten

Er is, anders dan bij W2, nog een andere relevante differentiatie mogelijk:

W3(W1 W2) Alle ideeën over de relatie tussen W1- en W2-entiteiten
W3(W2 W3) Alle ideeën over de relatie tussen W2- en W3-entiteiten
et cetera.
Deze differentiatie is van belang voor met name de sociale wetenschappen, wier object vooral de ecologische systemen van verschillende entiteiten zijn.


7.2. Relaties.


7.2.1 Trans-wereldse relaties

Trans-wereldse relaties, relaties tussen entiteiten uit verschillende werelden, vormen een essentieel aspect van de 3Wt-R. Een relatie tussen het een en het ander maakt nooit deel uit van een van de relata. Er wordt een categorale denkfout gemaakt wanneer relaties tussen entiteiten uit verschillende werelden op eenzelfde manier worden beschouwd en geanalyseerd als relaties tussen entiteiten uit dezelfde wereld. Ik vermoed dat een verdere uitwerking van de 3Wt-R een aantal nieuwe concepten vergt om deze thematiek adequaat te doordenken, maar de behandeling van deze kwestie stel ik uit.
De meest fundamentele vraag ten aanzien van de relaties tussen entiteiten van verschillenden werelden is mijns inziens: waar bestaan ze? Nader geformuleerd: zijn wij degenen die relaties tussen entiteiten leggen, hetgeen betekent dat deze relaties altijd entiteiten in H2 en H3 zijn? Of bestaan deze relaties ook zonder onze ervaringen en opvattingen? Dit vergt verdere studie en overdenking en de volgende proposities zijn dan ook tentatiever dan die over de entiteiten.

P1. Relaties tussen entiteiten uit verschillende werelden lijken altijd entiteiten in de leefwerelden H2 en H3 te zijn.

P2. Relaties tussen werelden zijn altijd relaties tussen entiteiten. “De” relatie tussen werelden bestaat dan ook niet; er bestaan diverse relaties tussen diverse sub-werelden.

U2. Popper schreef vooral in generaliserende zin over relaties tussen werelden. Dergelijke generalisaties zijn bijna altijd te generaliserend.

P3. Tussen entiteiten uit de drie werelden zijn in theorie pendantie-relaties, dependentie-relaties en interactie-relaties mogelijk.



U3.1. Interactie, een essentieel concept in Poppers 3Wt, blijft een weerbarstig conceptueel vraagstuk. Wat is interactie? Interactie is wederzijdse be?nvloeding. Dus interactie tussen entiteiten uit verschillende werelden impliceert een gelijktijdigheid, waardoor de entiteit in de ene wereld van invloed is op een entiteit in een andere wereld die vervolgens weer van invloed is op een entiteit uit de ene wereld. Dezelfde entiteit als waar we mee begonnen? Of is interactie tussen werelden alleen denkbaar als er diverse entiteiten binnen een wereld mee gemoeid zijn? Nog belangrijker is de vraag: hoe kan iets interageren met iets dat van een andere substantie is? En impliceert de autonomie van de werelden niet juist dat veranderingen in een wereld alleen uit de eigen wereld kunnen voortkomen? Is “echte” interactie in bovengenoemde zin, tussen twee specifieke entiteiten uit verschillende werelden, eigenlijk wel mogelijk? Een conclusie van verdere doordenking zou kunnen zijn dat “echte” interactie tussen entiteiten uit verschillende werelden onmogelijk is, maar dat dat een vorm van interactie tussen werelden niet uitsluit: via acties en reacties tussen verschillende entiteiten uit verschillende werelden.

U3.2. Voor de doordenking van dependentie en interactie in trans-wereldlijke relaties is mogelijk het informatie-concept “code” bruikbaar: entiteiten uit de ene wereld kunnen “doorwerken” in een andere wereld indien zij daar als “informatie” kunnen dienen. Dat vergt in de andere wereld een code op grond waarvan informatie als zodanig kan bestaan.


7.2.1.1 Tussen W1-entiteiten en W2-entiteiten.

P1. Op grond van het binnen W1 en W2 gemaakte onderscheid tussen W1.0, W1.1, W1.2 en W1.3 en tussen W2.0, W2.1, W2.2 en W2.3 bestaat er niet zoiets als “de” relatie tussen W1 en W2. E?n van de consequenties van de 3Wt-R is juist dat deze onderscheidingen voor de verhoudingen groot verschil maken en er in principe een groot aantal “lokale” relaties te onderscheiden zijn.

U1. De relatie tussen W1.2 en W2.1, dus tussen de materiëe representaties van gewaarwordingen en ervaringen enerzijds, en de gewaarwordingen van materiëe objecten anderzijds, zal dan ook een andere zijn dan tussen bijvoorbeeld W1.3 en W2.3, dus tussen de materiëe representaties van ideeën enerzijds, en de gedachten of gewaarwordingen van ideeën anderzijds.

P2. Tussen entiteiten uit W1 en W2 zijn in theorie pendantie-relaties, dependentie-relaties en interactie-relaties mogelijk.

U2. W1 en W2 bevatten een groot aantal bi-entiteiten, die dus een pendant in de andere wereld hebben. Verder bevatten W1 en W2 ook een groot aantal dependente entiteiten; er zijn W2-entiteiten die dependent zijn van W1-entiteiten (de meeste waarnemingen) alsook W1-entiteiten die dependent zijn van W2-entiteiten (zoals bij een intentionele handeling waardoor bijvoorbeeld op grond van een verlangen een maaltijd wordt bereid).


P3. Interactie tussen specifieke entiteiten uit W1 en W2 is bij uitstek het veld van het Mind-Body-problem; zie verder hoofdstuk 9.


7.2.1.2 Tussen W1-entiteiten en W3-entiteiten.

P1. Gelijk in 7.2.1.1 onder P1 werd geschreven: er bestaan meer dan één soort relaties tussen W1 en W3, en de gehanteerde verfijning en differentiatie maakt een generalisatie van “de” relatie tussen W1- en W3-entiteiten onmogelijk.

P2. W1 en W3 bevatten een groot aantal bi-entiteiten die dus een pendant in de andere wereld hebben.

U3. W1 omvat onder andere alle weergaven van opvattingen en concepten in boeken en anderszins; dat zijn dus bi-entiteiten. W3 bevat onder andere concepten over W1-entiteiten.

P3. W1 en W3 kennen mogelijk geen dependente entiteiten; dus geen W3-entiteiten die dependent zijn van W1-entiteiten en ook geen W1-entiteiten die dependent zijn van W3-entiteiten.

U3.1 Dit zou consistent zijn met Poppers stelling dat W1 en W3 alleen via W2 met elkaar te maken hebben. Het gestelde sluit dus “dependentie” via W2-entiteiten niet uit.

U3.2 Er is veel nagedacht over de vraag of het heelal een orde heeft die bijvoorbeeld wiskundig of anderszins logisch was. Sterker nog: vaak is dit verondersteld en was de enige vraag nog hoe die kosmische orde dan geformuleerd moest worden. Dergelijke opvattingen nemen dus een hoge C tussen W3- en W1-entiteiten aan.


7.2.1.3 Tussen W2-entiteiten en W3-entiteiten.

P1. Gelijk in 7.2.1.1 onder P1 werd geschreven: er bestaan meer dan één soort relaties tussen W2 en W3, en de gehanteerde verfijning en differentiatie maakt een generalisatie van “de” relatie tussen W2- en W3-entiteiten onmogelijk.


P2. W2 en W3 bevatten een groot aantal bi-entiteiten die dus een pendant in de andere wereld hebben.

U2. W2 omvat onder andere alhet denken en geloven en betwijfelen van opvattingen en al het door mensen en anderen hanteren (denken) van concepten; dat zijn dus bi-entiteiten. W3 bevat onder andere concepten over W2-entiteiten.

P3. W2 en W3 kennen mogelijk dependente entiteiten; dus W3-entiteiten die dependent zijn van W2-entiteiten en W2-entiteiten die dependent zijn van W3-entiteiten.

U3.1 Het is mogelijk om hierin een principieel standpunt in te nemen en te poneren dat alle W3-entiteiten dependent zijn van W2-entiteiten. Ik ga hier niet zo ver. De autonomie van W3 impliceert immers dat het bestaan van W3-entiteiten ook tot het ontstaan van andere W3-entiteiten kan leiden; “autonoom”. (Ontdekkingen in) de wiskunde zijn bij uitstek een strijdpunt in deze kwestie. Een voorbeeld is de vraag of het bewijs van de Stelling van Fermat al aanwezig in W3 was, voordat dit bewijs recent werd “ontdekt”.

U3.2 Er is ook nagedacht over de vraag of de psyche een orde heeft die bijvoorbeeld wiskundig of anderszins logisch weer te geven was. Dergelijke opvattingen nemen dus een hoge C tussen W3- en W2-entiteiten aan
Zie bijvoorbeeld “The Mathematical Soul”, Stachowski (1992).




7.2.2 Binnenwereldse relaties

Het veld van de binnenwereldse relaties krijgt in dit kader weinig aandacht; per wereld wordt alleen geschetst wat voor die relaties redelijk specifiek zou kunnen zijn. Het gaat hier dus om relaties en daarmee om dynamieken die niet afhankelijk zijn van entiteiten uit andere werelden; het gaat hier om de interne autonomie van de werelden en dus om de invloeden die eigen entiteiten op andere eigen entiteiten hebben.

7.2.2.1 W1.

P1. Voor W1-entiteiten zijn causale en dus dependente relaties exemplarisch.

U1. Er zijn al sinds mensenheugenis goede redenen om aan te nemen dat tussen W1-entiteiten causale en vergelijkbare verbanden bestaan: de hele natuurwetenschap is daarop gebaseerd en de vanuit (Hume’s) H3 beredeneerbare onkenbaarheid van causale verbanden tussen dingen maakt dit niet minder.

7.2.2.2 W2

P2.1 Voor W2-entiteiten zijn associatieve en dus dependente relaties waarschijnlijk als exemplarisch te beschouwen.

U2. Er zijn verbanden tussen W2-entiteiten: associaties en dergelijke zijn in de psychologie van groot belang. Het ene beeld roept het andere op; de ene ervaring de andere etc.

P2.2 Binnen W2 fungeren W2.1-entiteiten, W2.2-entiteiten en W2.3-entiteiten onderling als informatie: een W2.1-entiteit krijgt “betekenis” als er een bijbehorende W2.3-entiteit is. Dat geldt ook in de andere verhoudingen; zie verder par. 10.2.5 voor de betekenis hiervan.


7.2.2.3 W3

P3. Voor W3-entiteiten zijn logische en dus dependente relaties mogelijk exemplarisch.

U3. Er zijn verbanden tussen W3-entiteiten en deze zijn in de logica alsmede in de wiskunde aan de orde.


7.3 Zelf-referentie

Vanuit de 3Wt(-R) kan de 3Wt(-R) tot onderwerp genomen worden en dat leidt tot een complex soort zelf-referentie omdat deze theorie, als verzameling van proposities, daarmee als het ware een klasse wordt die een element van zichzelf is. De 3Wt-R is immers, als filosofische theorie, ontegenzeggelijk een W3-entiteit (maar overduidelijk nog niet van een door velen bewoond deel van H3).


Als W3-entiteit is de theorie een filosofische theorie over verzamelingen van abstracte entiteiten, maar deze theorie betreft entiteiten die qua realiteit niet afhankelijk zijn van hun bestaan als element van een verzameling. In de 3Wt-R wordt onder andere W3.1 benoemd en afgebakend, maar wordt ook gesteld dat W1 bestaat, los van W3.1 en ook los van haar conceptualisering als W1. Op eenzelfde wijze gaat de 3Wt-R over W3.2, maar wederom veronderstelt zij het bestaan van W2 buiten W3.2 en los van haar conceptualisering. Alleen als W3.3-entiteit kan de 3Wt-R niet refereren aan een W3 waarvan zij niet zelf deel uit maakt.

Met andere woorden: we hebben in de 3Wt-R een theorie (een deel van W3), met concepten. Deze concepten refereren aan entiteiten buiten de theorie: we hebben enerzijds (entiteiten in) W3.1 uitgedacht en we veronderstellen anderzijds (entiteiten in) W1 en daarom (en alleen daarom) kunnen we ons vragen stellen over hoe die twee werelden en hun entiteiten zich tot elkaar verhouden. Zodra we de wereld-1 “vergeten” als een complex van zijnden dat buiten onze 3Wt-R bestaat, dan worden we solipsisten of idealisten. Dat geldt eveneens voor W2; ook als we de realiteit van wereld-2 “vergeten” als een complex van zijnden dat buiten onze 3Wt-R bestaat, dan worden we idealisten. Maar dit alles geldt niet voor W3.


7.4 Semiotiek: taal en andere tekens

De beide semiotische terreinen van taal en teken omvatten een gecompliceerd stelsel van entiteiten en relaties, maar deze zijn naadloos in de 3Wt-R-ordeningen in te passen.
Taal-uitingen en tekens of “tokens” zijn in al hun verschijningsvormen altijd W1-entiteiten. Omwille van de duidelijkheid zullen deze entiteiten met de karakteristieke variabele l worden aangeduid: een l1 is dus een woord oftewel een talige aanduiding voor een ding en dus voor e1.1; l2 is een woord voor een ervaring en dus voor e1.2 en l3 is een woord voor een concept en dus voor e1.3 .
Met het inbrengen van l wordt in W1 een vertrouwd fundamenteel onderscheid gemaakt tussen enerzijds de semiotische/linguistische entiteiten en anderzijds de niet-semiotische entiteiten.



Het lijkt ondenkbaar dat de betekenissen van tekens en woorden een andere bron zouden hebben dan wat mensen onderling hebben ontwikkeld en daarmee zijn de orde van taal en teken altijd deel van de orde van H, van de leefwerelden. Dus: welke W1-entiteit, welk woord, teken of klank als l zal funktioneren is afhankelijk van de “gebruiken” in een H. Op basis hiervan is het “private language-argument” nu te vertalen als: “Binnen een individuele H is geen pendantie tussen een l en een e mogelijk welke niet ook binnen een collectieve H past.”
De relatie tussen een l2 en een W2-entiteit is een complexe en ook dat is in de door Wittgenstein ingezette Private Object-discussie duidelijk
Zie bijvoorbeeld Werhane (1992)

: deze gaat bijna altijd over het feit dat de C tussen l2 en e2 niet net zo valt vast te stellen als we dat tussen l1 en e1 gewend zijn te doen.

Woorden en tekens hebben betekenis. Hierover is veel gedacht en geschreven maar in het kader van de 3Wt is duidelijk dat “betekenis” altijd een H-specifieke pendant-relatie is tussen een woord en het “verwoorde” en dat kan dus een e1 , e2 of e3 zijn en ook nog alle drie tegelijk. Daarbij is betekenis altijd “betekenis-voor-iemand” en dat betekent dat een specifieke e2 onvermijdelijk is: er is altijd een “betekenis-gever” (geweest) die aan het teken iets ervaart dat dan betekenis heet.

Tussen een l1 en een pendante e1 bestaat meestal een hogere C dan tussen een l2 en een pendante e2 en tussen een l3 en een pendante e3 : onze woorden voor “de dingen” zijn meestal minder voor misverstanden en ambigu?teiten vatbaar dan onze woorden voor ervaringen en belevingen en onze woorden voor ideeën. Door het gebruik van formele talen trachten filosofen en mathematici de C bij W3-entiteiten weer maximaal te maken.

Popper stelde zoals velen dat geen term “theorie-loos” is en dat ook onze termen voor W1-entiteiten theoretisch “beladen” zijn. In termen van de 3Wt-R valt dat als volgt te formuleren: ook in l1 zijn W3-entiteiten aan de orde. Dit vloeit voort uit het feit dat W1-entiteiten bijna altijd door soort-namen worden aangeduid terwijl soort-namen altijd “universalia” en dus abstracta en dus W3-entiteiten zijn
McDowell gaat hier in zijn “Mind and World” (1994) zeer diep op in en zijn analyses zijn goed vertaalbaar in de terminologie van onze 3Wt-R.

.

Bij de combinatie van l3 en e3 kunnen we door middel van een definitie pogen een maximale C te realiseren, maar een definitie is altijd een relatie tussen twee tokens, tussen twee l-entiteiten waarvan de C bij een definitie dus gelijk aan 1moet zijn. Voor de omschrijvende l geldt dan in feite hetzelfde wat voor de gedefinieerde l geldt: ook die woorden moeten weer hun betekenis krijgen door verwijzing naar andere woorden etc. Nu en dan wordt geklaagd over het feit dat van sommige concepten zoveel omschrijvingen en definities mogelijk zijn, maar dit is inherent aan de hier geschetste thematiek van relaties tussen lingu?stische en immateriëe entiteiten: het kan bijna niet anders dan dat er tal van tokens of tal van alternatieve taalkundige omschrijvingen zijn die gelijkelijk adequaat zijn (en dus eenzelfde connectie-co?ffici?nt hebben).

Tenslotte: Taal representeert niet alles wat in de werelden aanwezig is; zelfs niet alles wat in de leefwerelden aanwezig is. Er zijn dus in alle leefwerelden en in alle werelden in ieder stadium van onderzoek of overdenking entiteiten zonder een pendante l.
In 1990 verscheen een verrassend boekje “The Deeper Meaning of Liff” dat geheel bestaat uit nieuwe woorden voor zaken waarvoor nog geen -engelse- woorden bestonden terwijl dat wel al had gekund. (“Liff” wordt daarin zelf omschreven als “a common object or experience for which no word yet exists” en het boekje betreft dus m.n. W1- en W2-entiteiten met hun nieuwe pendante lingu?stische entiteiten)